Landelijk Overleg Co-Assistenten
ABCDE voor CoAssistenten

Werkdruk, diensten, mentale ondersteuning en burn-outs bij co-assistenten

In LOCA

Uit een recent onderzoek van het KNMG-sp blijkt dat een kwart van de co-assistenten ernstige vermoeidheidsklachten heeft en 41 procent van deze co-assistenten de werkdruk als zwaar tot erg zwaar ervaart. In dit artikel wordt het onderzoek van het KNMG studentenplatform (KNMG-sp) toegelicht. Daarnaast worden twee inventarisaties van het LOCA met betrekking tot de werkdruk besproken. Deze inventarisaties uit 2012 en 2013 gaan over het mentale vangnet en de werktijden en dienstcompensatie tijdens de opleiding.

Het LOCA behartigt de belangen van de momenteel 8500 geneeskundestudenten die momenteel in de kliniek coschappen lopen. Daarbij streeft het LOCA naar een veilige leeromgeving waarin de toekomstige arts goed opgeleid wordt. Het LOCA was dan ook zeer verbaast over de recente cijfers van het onderzoek van de KNMG-sp. Het onderzoek (1) werd eind 2011 gestart door middel van een digitale enquête. In deze enquête werden 1205 co-assistenten onder meer gevraagd naar de werkdruk tijdens de studie en het voorkomen van burn-outgerelateerde klachten. Uit een eerder onderzoek van het KNMG-SP (2)  uit 2007 bleek dat 30% van de ondervraagde co-assistenten de emotionele steun die wordt aangeboden door de faculteit onvoldoende vindt. Dit terwijl op de faculteiten zelf het idee heerst dat men goed bereikbaar is voor problemen van studenten en dat voldoende ondersteuning wordt geboden. In het nieuwe onderzoek gaf ruim een kwart aan onvoldoende emotionele steun en begeleiding te ontvangen van vertrouwenspersonen, opleiders en docenten tijdens de coschappen. Het LOCA was verbaasd over deze recente cijfers, omdat dergelijke cijfers en problematiek niet eerder in zodanige vorm bij de organisatie danwel haar achterban bekend was. Een verklaring hiervoor is dat co-assistenten eerder naar directe naasten zouden gaan. Zo blijkt ook uit het recente KNMG-sp onderzoek waarbij 84% van de co-assistenten met burn-outverschijnselen eerst naar familieleden of vrienden zou gaan. Slechts 2 procent zou daarvoor in eerste instantie de daarvoor door de universiteiten aangewezen vertrouwenspersonen benaderen. Daarnaast blijkt dat van alle ondervraagde co-assistenten 26 procent de coschappen niet meer ziet zitten. Opvallend was dat de voornaamste reden hiervoor (32%) is de angst om persoonlijk te falen, gevolgd door een te hoge werkdruk (31%).

Inmiddels is de werkdruk onder co-assistenten landelijk opgepakt door de politiek. PVV-Kamerlid Reinette Klever heeft enkele weken geleden kamervragen gesteld. De antwoorden op deze vragen liggen nu bij het ministerie van VWS en OCW en worden dit najaar besproken. Het LOCA zal zich actief inzetten om op de hoogte te blijven van de ontwikkelen en zo haar achterban up-to-date te houden.

In 2012 heeft het LOCA bestuur met behulp van de co-raden de acht faculteiten geïnventariseerd naar het mentale vangnet (3) voor co-assistenten in Nederland. Hieruit bleek dat op iedere faculteit de mogelijkheid bestaat om gebruik te maken van een hulporgaan voor mentale ondersteuning, in de vorm van studieadviseur, vertrouwenspersoon, studentenpsycholoog danwel co-raad. Vorig jaar had een aantal faculteiten (een) vast(e) moment(en) in de masterfase geïmplementeerd waarbij co-assistenten mentale ondersteuning kunnen ontvangen, waaronder het RUMC, VuMC, UMCU, EMC en UMCG. Inmiddels is in het AMC de masterfase gestart en wordt er nu op zes van de acht faculteiten mentale/psychische ondersteuning op een vast moment in de opleiding aangeboden. Het LOCA vermoedt dat hiermee de drempel om hulp te vragen verlaagd wordt, met positieve gevolgen zoals eerdere opsporing van problemen en hiermee ook het eerder starten van hulp. Daarnaast vindt het LOCA het belangrijk dat in ieder geval voor de start van de coschappen bekend is waar de co-assistent terecht kan met problemen van zowel persoonlijke als coschapgerelateerde aard.

In 2013 is door het LOCA middels een inventarisatie gekeken naar de werktijden, het aantal diensten tijdens de co-schappen en of er sprake is van adequate dienstcompensatie (4), (volgens de faculteitspecifieke regels ) bij de co-assistenten van de acht faculteiten in Nederland. Het blijkt dat de bestuurscommissie Onderzoek & Onderwijs (O&O) hiervoor een landelijke richtlijn voor heeft opgesteld. Deze bestuurscommissie O&O is een onderdeel van de Nederlandse Federatie van UMC’s (NFU) en bestaat o.a. uit de decanen van de acht UMC’s. In de ‘Landelijke richtlijnen voor de regeling van de positie van co- assistenten’ (5) van de O&O staat dat iedere faculteit een regeling heeft betreffende de positie van de co-assistent waar de bepalingen betreffende de werktijden van de co-assistent worden beschreven. Volgens de richtlijn is de maximaal gevraagde actieve inzet van een co-assistent 46 uur per week, inclusief onderwijscontacturen, begeleiding en zelfstudie, waarbij sprake is van een gemiddelde over alle weken van het co-schap. Dat is hoger dan bij andere masteropleidingen, omdat het opleiden van een goede arts een hogere tijdsinvestering vraagt. Echter is dit aantal uren volgens het LOCA in de praktijk doorgaans meer dan 46 uur per week. Wat betreft diensten kan een co-assistent niet verplicht worden tot een aanwezigheidsdienst van meer dan 24 uur. Bij een aanwezigheidsdienst met een duur van meer dan 14 uur tot maximaal 24 uur volgt ter compensatie een periode van 24 uur. Tot slot geeft deze richtlijn aan dat een co-assistent niet verplicht kan worden van meer dan één aanwezigheidsdienst, langer dan 14 uur per week. Het LOCA twijfelde echter aan het feit of er daadwerkelijk aan deze richtlijnen wordt voldaan. Uit de inventarisatie is naar voren gekomen dat er niet altijd correct met de richtlijnen wordt omgegaan en het LOCA wil daarom aandacht vragen voor een strengere naleving van de geldende richtlijnen en zich hiervoor actief inzetten.

Terugkomend op de werkdruk en de mogelijke schadelijke gevolgen voor co-assistenten is het LOCA van mening dat de uitkomst van het onderzoek van het KNMG-sp een duidelijk signaal behelst en serieus genomen moet worden. Het LOCA pleit daarom allereerst voor meer onderzoek naar de werkdruk van co-assistenten om zo een beter beeld te krijgen van de situatie. Momenteel liggen er kamervragen namens de PVV bij het ministerie van VWS en OCW. Daarmee lijkt het laatste nog niet gezegd over dit onderwerp en het LOCA zal de ontwikkelingen op dit gebied nauwgezet volgen en de co-assistenten informeren door middel van berichten op de website, nieuwsbrief en Facebook Wil je op de hoogte blijven van de actuele ontwikkelingen? Meld je dan nu aan voor de LOCA nieuwsbrief:

 

Bronnen:

1) ‘Veel burn-out onder geneeskundestudenten’ - Henri Boersma, Maartje Conijn, KNMG-SP. Medisch Contact, Nr. 40 – 3 oktober 2013. http://medischcontact.artsennet.nl/archief-6/tijdschriftartikel/137292/veel-burnout-onder-geneeskundestudenten.htm

2) ‘Burn-out onder co’s’ – Maarten Anderegg, KNMG. Arts in Spe, Nr.4 – 01 november 2007. http://artsinspe.artsennet.nl/tijdschriftartikel/Burnout-onder-cos-1.htm

3) LOCA, 2012: Inventarisatie #5 – “Mentaal vangnet voor coassistenten”.

4) LOCA, 2013: Inventarisatie #2 – “Dienstcompensatie”.

5) Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU), 2009 – “Richtlijnen voor de regeling van de positie van studenten geneeskunde in de klinische praktijk”. NFU - Richtlijnen voor de Regeling Positie Studenten Geneeskunde in de Klinische Praktijk.pdf (66 KB)