Landelijk Overleg Co-Assistenten
ABCDE voor CoAssistenten

Bezuinigingen op de opleiding: de gevolgen voor de co-assistent

In Extern · Door Steven Immenga op 22 October 2013 · Reageer

Na constructief overleg zijn de zorgpartijen en VWS erin geslaagd gezamenlijk invulling te geven aan de bezuinigingen op de opleiding van medisch specialisten. Door de bezuinigingen eerder te realiseren kan volstaan worden met 218 miljoen, in plaats van de voorgestelde 270 miljoen. Dit met behoud van de huidige hoogstaande kwaliteit van de opleiding tot medisch specialist. Hieronder licht het LOCA toe wat voor gevolgen dit heeft voor de co-assistent danwel de opleiding geneeskunde.

Opleidingsduur.

Initieel was het plan dat alle medisch specialistische vervolgopleidingen met een of twee jaar ingekort zouden worden. Die generieke korting is van de baan. Daarvoor in de plaats komt de afspraak dat voor 80 procent van de aiossen de opleiding gemiddeld zes maanden korter zal zijn. Deze kortere individuele opleidingsduur moet 56 miljoen euro gaan opleveren en wel via de volgende drie manieren. Allereerst is er afgesproken dat een aios de opleiding eerder kan afronden als alle competenties zijn behaald. Daarnaast kan hij of zij vrijstellingen krijgen, op basis van opgedane ervaring als anios of tijdens een andere opleiding. Een derde mogelijkheid tot verkorting van de opleiding is het behalen van competenties in het zogenaamde schakeljaar, het laatste jaar van de zesjarige geneeskundeopleiding, waarin studenten kunnen voorsorteren in de richting van bijvoorbeeld snijdende vakken, en gericht bepaalde vaardigheden kunnen aanleren. Voor het schakeljaar is een werkgroep opgericht waar het LOCA aan deelneemt ter vertegenwoordiging van de co-assistenten. Meer informatie over het schakeljaar volgt binnenkort op de website van het LOCA.

Aantal opleidingsplekken.

Nog eens 72 miljoen euro wordt bespaard door jaarlijks honderd minder aiossen op te leiden, conform de ramingen van het Capaciteitsorgaan. Per aios krijgen de ziekenhuizen ook nog eens minder geld, wat neerkomt op nog eens 90 miljoen euro minder. Bij elkaar opgeteld leveren alle maatregelen de minister 218 miljoen euro op. De komende jaren mogen jaarlijks 2078 tot 2353 basisartsen beginnen aan een erkende medische vervolgopleiding; in 2010 waren dat er nog 2249 tot 2467. Van deze groep artsen mag ongeveer de helft – 1120 tot 1320 – beginnen aan een medisch specialistische vervolgopleiding. Dit is bijna 15 procent minder dan in 2010. Overigens zijn 62 tot 69 van de 1120 tot 1320 instroomplaatsen voor klinisch technische beroepen, zoals klinische chemie, klinische fysica, en klinische farmacie, die niet per sé door een basisarts moeten worden ingevuld.

Gevolgen voor de co-assistent.

Doordat er minder opleidingsplekken zijn adviseert het Capaciteitsorgaan in het Capaciteitsplan 2013 Dat de instroom van studenten geneeskunde ook flink omlaag moet. Het reservoir aan basisartsen met belangstelling voor een vervolgopleiding telde in 2012 4670 wachtenden, dat zijn twee complete instroomjaren aan basisartsen. Daarom adviseert het Capaciteitsorgaan de minister om de instroom in de geneeskundeopleiding zo spoedig mogelijk te verminderen van de huidige 3050 naar 2700 studenten. Maar het effect daarvan op de grootte van het reservoir aan basisartsen zal pas vanaf 2021 te zien zijn. Op de lange termijn is het akkoord een zeer goede ontwikkeling. Het aantal opleidingsplekken moet immers aansluiten op de vraag van de toekomstige arbeidsmarkt. Op de korte termijn is dit voor de bijna afgestudeerde co-assistent minder goed nieuws. Door de dalende opleidingsplekken zullen er meer basisartsen moeten worden verdeeld wat o.a. kan leiden tot meer concurrentie. Een ander gevolg is dat meer mensen wellicht een andere medische vervolgopleiding zullen moeten kiezen dan die van hun eerste keus. Hierbij valt te denken aan sociale geneeskunde, ouderen geneeskunde of huisarts. Wellicht een schrale troost voor de toekomstige artsen: in deze sectoren neemt het aantal opleidingsplekken overigens wel (iets) toe.